This list shows Dutch sentences with English translations for the 100 most common words used as the missing word for the Fluency Fast Track on Clozemaster.

Clozemaster is a game to learn language in context. It shows you a sentence missing a word, and the challenge is to fill in the correct word from context. The Fluency Fast Track shows one sentence per missing word in order of difficulty.

Learn more about learning Dutch on Clozemaster, try playing the 100 Most Common Words in Dutch, sign up for free to play the Fluency Fast Track and track your progress, or check out all the languages available on Clozemaster!

1. komt Wie komt?
Who's coming?
2. niets Het is alles of niets.
It's all or nothing.
3. zei Wat zei ze?
What did she say?
4. misschien Misschien hebben ze iets.
Maybe they have something.
5. kijk Kijk eens naar dit.
Take a look at this.
6. iemand Weet iemand hier hoe dit moet?
Does someone here know how to do this?
7. komen We komen.
We are coming., We're coming.
8. tot Tot kijk.
Goodbye!
9. veel Ik heb te veel te doen.
I've got too much to do.
10. worden Wat gaan we worden?
What will we become?
11. mensen Wie zijn die mensen?
Who are these people?, Who are those people?
12. zeg Zeg me wat je wil.
Tell me what you want.
13. leven Leven en laten leven.
Live and let live.
14. zeggen Ik weet dat je nee gaat zeggen.
I know you're going to say no.
15. weer Hoe is het weer?
How's the weather?, How is the weather?
16. gewoon Doe het toch gewoon.
Just get on with it.
17. nodig Ik heb jullie nodig.
I need you.
18. wij Waar zijn wij?
Where are we?
19. twee Wat is er met jullie twee?
What's up with you two?
20. tijd Ik heb geen tijd voor jullie.
I don't have time for you.
21. tegen Tegen wie denk je dat je het hebt?
Who do you think you're talking to here?
22. zit Is het goed als ik hier zit?
Is it OK if I sit here?
23. weten Wil je dat echt weten?
Do you really want to know?
24. heel Je weet heel goed wat ze wil.
You know very well what she wants.
25. maken Dit heeft met jou niets te maken.
This has nothing to do with you.
26. wordt Dus wat wordt het?
So what is it going to be?
27. dood Dood?
Dead?
28. mag Mag ik nu gaan?
Can I leave now?, May I leave now?, Can I go now?
29. altijd Waarom ik altijd?
Why always me?
30. af Je had het nu wel af moeten hebben.
He should have finished it by now.
31. wacht Wacht eens heel even.
Wait just a minute.
32. geef Ik geef nooit op.
I never give up.
33. omdat Ik doe het omdat ik het wil.
I do it because I want to.
34. zeker Dat zal ik zeker doen.
I'll definitely do that.
35. zie Ik zie niets.
I don't see anything.
36. allemaal Hoe weet je dit allemaal?
How do you know all this?, Just how do you know all this?
37. gedaan Ik heb dit voor jou gedaan.
I did this for you.
38. oh Oh, weet je wat?
Oh, you know what?
39. dank Dank u wel!
Thank you!, Thanks!
40. huis Mag ik naar huis gaan?
May I go home?
41. , hoe gaat het met je?
Hi! How are you?, Hi, how are you?, Hi. How are you?
42. zij Weet je wie zij is?
Do you know who she is?, You know who she is?, Do you know who he was?, Do you know who that was?
43. vader Hij is niet mijn vader.
He's not my father.
44. doet Kijk goed. Ik zal je laten zien hoe je dit doet.
Look carefully. I'm going to show you how it's done.
45. zoals Zoals altijd was hij te laat.
He was late, as always.
46. vrouw Wie is die vrouw?
Who is that woman?, Who is that lady?
47. geld Hij heeft geld nodig.
He needs money.
48. hun Dit is hun huis.
This is their house.
49. god God zij dank.
Thank God.
50. kunt Het is niet omdat je het kunt, dat het ook moet.
Just because you can, doesn't mean that you should.
51. keer Wil je het nog een keer doen?
Do you want to do it again?
52. dacht Dat dacht ik dus ook.
That's what I thought.
53. erg Is het erg?
Is it bad?
54. willen Ik zou mijn vader willen zien.
I wish to see my father.
55. anders Kan iemand anders dit niet doen?
Can't someone else do this?
56. zitten Nee, ga zitten.
No, sit down.
57. iedereen Ik denk dat iedereen dat weet.
I think that everybody knows.
58. één Dat heb ik één keer gedaan.
I did that once.
59. andere Er moet nog een andere weg zijn.
There must be another way.
60. zullen We zullen zien.
We shall see.
61. niks Waarom zeg je niks?
How come you say nothing?
62. niemand Niemand weet waar het is.
Nobody knows where it is.
63. wilt Gaat u maar zitten waar u maar wilt.
Sit wherever you like.
64. bedankt Heel goed, bedankt.
Very good, thank you.
65. binnen Hij is niet binnen.
He's not in.
66. beter Hoe meer, hoe beter.
The more, the better.
67. spijt Het spijt me, maar nu moet ik weg.
I am afraid I must be going now.
68. maak Ik maak hem af.
I'll kill him.
69. hallo Hallo allemaal!
Hello everyone!
70. neem Neem je dat?
Will you take that?
71. vind Vind jij dat ik alleen zou moeten gaan?
Do you think I should go by myself?
72. staat Zij is tot alles in staat.
She's capable of anything.
73. werk Ik heb werk te doen.
I have a job to do.
74. moeder Is dat jouw moeder?
Is that your mother?
75. gezien Ik heb niemand gezien.
I didn't see anybody., I didn't see anyone.
76. waren Waar waren jullie?
Where were you?, Where've you been?
77. wilde Zijn moeder wilde het niet doen.
His mother didn't want to do it.
78. praten Ik wil er niet meer over praten.
I don't want to talk about it anymore., I do not want to talk about it anymore.
79. hele Ik denk de hele tijd aan jullie.
I think of you all the time.
80. genoeg Ik weet niet of ik genoeg geld heb.
I don't know if I have enough money.
81. meneer Dank u, meneer.
Thank you, sir.
82. bedoel Nee... Ik bedoel, ja.
No... I mean, yes.
83. klaar We zijn klaar om te gaan.
We're ready to go.
84. vinden Ik weet waar ik hem kan vinden.
I know where to find him.
85. kon Het kon iedereen zijn.
It could be anyone.
86. mooi Ik weet dat ze mooi is.
I know that she is beautiful.
87. leuk Wat vind je leuk om te doen?
What do you like to do?
88. luister Luister naar me.
Listen to me.
89. ziet Het ziet er goed uit.
Things are looking good., That looks good.
90. toe Kom op, geef het maar toe.
Come on, admit it.
91. na Denk er eens over na als je wil.
Please think about it.
92. sorry Sorry, maar dat kan gewoon niet.
I'm sorry, but it's just not possible.
93. blijf Blijf bij ons.
Stay with us.
94. uur Het is één uur.
It's one o'clock.
95. zegt Wat zegt u?
Pardon me?, Excuse me?
96. drie Over drie uur zien we elkaar weer.
We meet again in three hours.
97. alsjeblieft Kijk voor je, alsjeblieft.
Eyes front, please.
98. natuurlijk Natuurlijk niet!
Of course not!
99. maakt Mij maakt het niet uit.
It's all the same to me.
100. gek Hij is gek op jou.
He is mad about you.

Want to learn these words faster? Sign up to play the Fluency Fast Track and track your progress. Looking for something a bit easier? Try playing the 100 Most Common Words grouping. Already know these words? Check out everything Clozemaster has to offer for learning Dutch faster.

Take your Dutch to the next level.
Sign up and play for free.

Learning a different language? Check out all the languages you can learn on Clozemaster.